vorige foto volgende foto
Burcht Leiden

Kastelen en Buitenplaatsen

Kastelen zijn van oorsprong versterkte gebouwen waarin men zich in tijden van nood kon terugtrekken. Er zijn in Nederland nog ongeveer 500 kastelen over. De term kasteel wordt meestal gebruikt voor een middeleeuws bouwwerk waarin bewoning en verdediging gecombineerd werden, maar ook voor zeventiende- en achttiende-eeuwse buitenhuizen. We komen verschillende benamingen tegen voor kastelen, zoals burcht, huis en slot. Wanneer het om versterkte adellijke woonhuizen gaat, dragen ze namen als ‘borg’ in Groningen, ‘stins’ of ‘state’ in Friesland, ‘havezate’ in Drenthe en Overijssel en ‘ridderhofstad’ in Utrecht. Tot de oudste verdedigingswerken die nog te zien zijn behoren de zogenaamde ringwalburchten uit de negende eeuw: een aarden omwalling met droge gracht, eventueel versterkt met palen, zonder specifieke woonvoorzieningen. Plaatsnamen, waarin het woord burg of borg voorkomt, zoals in Middelburg, Domburg, Souburg, Voorburg, Rijnsburg en Den Burg op Texel zijn veelal uit een ringwalburcht ontstaan.
 
Vanaf 1000 tot ongeveer 1250 bouwde men mottekastelen, burchten die bestaan uit een kunstmatig opgeworpen heuvel (motte) met op de vlakke top een houten toren, later vaak vervangen door een stenen toren. Als verdediging waren de mottes handig, omdat ze snel te maken waren. Er is weinig van de mottes over, ze waren van hout en de heuvel zelf werd vaak al lang geleden afgegraven. Bij de burcht van Leiden is de motte nog aanwezig. Van de waterburchten zijn er meer bewaard gebleven. Het zijn vaak rechthoekige bouwwerken met hoektorens en woonfaciliteiten. Afgezien van de dikke muren lag de defensieve aard vooral aan het feit dat het geheel in het water lag. Het Muiderslot te Muiden is een bekend voorbeeld.
Aan het einde van de Middeleeuwen verminderde het belang van de kastelen door de opkomst van de steden. Kastelen vervielen of werden verbouwd tot landhuizen en vormden met hun omgeving een ensemble dat nu een historische buitenplaats genoemd wordt. Ook werden vanaf de zeventiende eeuw door rijke stadse kooplieden op het platteland nieuwe buitenplaatsen aangelegd, met fraai aangelegde tuinen en parken waar men in de zomermaanden verbleef.
Pagina afdrukken