Kantoorgebouwen
In Nederland is de rol van het particulier initiatief altijd groot geweest. Denk bijvoorbeeld aan de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC), opgericht in 1602, die de vroegste naamloze vennootschap met aandeelhouders kan worden genoemd. De handelsonderneming richtte zich niet alleen op de handel tussen Europa en Azië, maar ook op de inter-Aziatische handel. De VOC had zes “Kamers", in Amsterdam, Middelburg, Hoorn, Enkhuizen, Delft en Rotterdam.
Uit de VOC kwamen handelsmaatschappijen en banken voort. Deze instellingen bouwden kantoorgebouwen, met name in grote steden waar hun hoofdkantoren gevestigd waren. In de tweede helft van de negentiende eeuw werd het kantoor op grotere schaal gebouwd, toen door de groei van de industrie de behoefte aan kapitaal toenam. De schaalvergroting van bedrijven zorgde voor een verschuiving van personeel van het productieproces naar organisatie. Het leidde tot een toename van administratieve kantoorfuncties. Tegelijkertijd groeiden de dienstverlenende instellingen zoals banken en verzekeringsmaatschappijen, die meer, grotere en meer representatieve kantoren nodig hadden. Bedrijven beschouwden hun kantoorgebouw vrijwel zonder uitzondering als hun visitekaartje. De architectuur van kantoorgebouwen is daarom bijna altijd een goede afspiegeling van de tijd waarin ze gebouwd werden.









