Houtzaagmolen Zaandam
Molens
Molens zijn werktuigen die worden aangedreven op wind- of waterkracht. Ze werden gebruikt om het land droog te malen, het waterpeil in de polders en de droogmakerijen te beheersen en allerlei werkzaamheden uit te voeren, zoals het zagen van hout of het malen van granen en verfstoffen. Berichten over watermolens gaan terug tot aan het einde van de dertiende eeuw, die over windmolens dateren uit de vijftiende eeuw. In een industriegebied als de Zaan stonden in 1731 in totaal maar liefst 583 molens. Met de uitvinding van de stoommachine en andere aandrijvingbronnen verloren de molens aan het einde van de negentiende eeuw gaandeweg hun betekenis en werden ze op grote schaal gesloopt. Van de 11.000 die er rond 1900 nog draaiden, resten er nu nog zo’n 1000.
Watermolens zijn afhankelijk van stromend water waarin een schoepenrad draait. Op de Veluwe kom je er nog ettelijke tegen die vroeger papier maakten of koperen platen bewerkten. Het water is afkomstig van sprengen, kunstmatige beekjes waarvan het water op ingenieuze wijze naar de molen wordt gevoerd. De windmolen is afhankelijk van de wind. Dat betekent in elk geval dat er geen windbelemmering mag zijn: in stedelijke gebieden werden ze daarom vaak op bastions van de vestingwerken gebouwd.
Er zijn veel soorten molens en molens kunnen op verschillende manieren ingedeeld worden, bijvoorbeeld door te kijken naar de functie van de molen, zoals een olie- een koren- of een zaagmolen. Een ander onderscheid is de manier waarop de molen wordt bediend om hem ‘op de wind’ te zetten. Bij een binnenkruier kan de molenaar van binnenuit de molenkap draaien en bij een buitenkruier doet hij dat aan de buitenkant. Er zijn ook allerlei verschillende verschijningsvormen, zoals de stellingmolen op een hoge stenen onderbouw; de standerdmolen die op een houten spil rust; de wipmolen die op een waterrad gebouwd is die het water de polder ‘uitwipt’; de spinnekopmolen, eigenlijk een klein soort wipmolen; de paltrokmolen een apart type zaagmolen met een nagenoeg vierkant molenlijf die zijn naam ontleent aan de paltrok, een jas uit de zestiende en zeventiende eeuw; de tjaskermolen, een klein molentje voor de onderbemaling van kleine stukken land, of de torenmolen, een geheel of nagenoeg geheel cilindrische stenen molen. Molens worden soms ook ingedeeld naar de vorm van de romp: rond, achtkantig of zeskantig.









