Nieuws

“Wij gingen Houtwaarts”

De Haarlemmerhout

Als Haarlem een plek heeft waar al eeuwenlang plezier wordt gemaakt, is dat wel de Haarlemmerhout. Op mooie dagen is het een van de meest geliefde plekken in de stad om te wandelen, te picknicken en om de natuur op te snuiven met de stad op een steenworp afstand. Of, zoals de Hout in 1844 werd beschreven: “Verruklijk schoon tafreel, waarop wij eindeloos staren. Een ware tempel Gods, met groeijende pilaren”. Nu is het begrip ‘plezier’, net als de opvatting van vermaak en ontspanning, in de loop der tijd aan verandering onderhevig.

Gold de Hout in de 19de eeuw vooral als Haarlems lustprieel, een populaire attractie voor het destijds opkomende toerisme, in de vroege 16de eeuw vormde het oeroude bos op de grens van de stad Haarlem en de heerlijkheid Heemstede een ideale plek voor tapperijen – ‘alwaer de Haarlemmer Poorters’ – de stadsbewoners – ‘in menigte gingen drinken’. Op deze plek, juist buiten de jurisdictie van Haarlem, kon men immers accijnsvrij tappen. Het is niet verrassend dat de stad stevig optrad tegen deze derving van inkomsten. Een algemeen tapverbod voor de hele Hout, overeengekomen met de Heer van Heemstede, had slechts tijdelijk effect. In de loop van de 17de eeuw keren de herbergen terug, met illustere namen als ‘Het Gulden Vlies’, ‘Het Gebrande Huys’ en ‘Het Bokje’. De bijbehorende reuring en ongeregeldheden hebben de nodige juridische sporen in de archieven achtergelaten, en vormen nu prachtige verhalen. Toch verandert het gebied van karakter, als gedurende de 18de en 19de eeuw in het buitengebied meer buitenhuizen en villaparken verrijzen en de herbergen zich als ‘Heerenlogement’ en later ‘hotel’ of ‘restaurant’ gaan richten op een sjieker publiek dat elke zondag graag langs de Dreef flaneert ter ontspanning, om te zien en gezien te worden. ‘Wij gingen Houtwaarts,’ schreef Nicolaas Beets in 1839. Toen, en nu nog steeds, is de Haarlemmerhout bij uitstek een plek van plezier.

Deel dit nieuws