Lange tijd werd men rond of in de kerk begraven. Dit veranderde in 1829 door een koninklijk besluit. In plaatsen met meer dan duizend inwoners mocht er niet meer binnen de bebouwde kom begraven worden. Ook in Haarlem was dat het geval.
“ROZEMARIJN STOND SYMBOOL VOOR ONSTERFELIJKHEID OMDAT DE PLANT ALTIJD GROEN BLEEF.”
Na het koninklijk besluit werd in Haarlem een nieuwe algemene begraafplaats aangelegd ten noorden van de stad aan de Kleverlaan. Deze werd in 1832 ontworpen door de landschapsarchitect J.D. Zocher jr. als een lommerrijk en glooiend park. De gedenktekens aan de overledenen kwamen daarin langs slingerende paden onder boomgroepen en bij watertjes te liggen. Het moest bij de bezoekers een gevoel van weemoed en overpeinzing oproepen, passend bij de romantische beleving van die tijd.
BEGRAVEN IN DE MIDDELEEUWEN
In de middeleeuwen was begraven de enige geaccepteerde vorm en met het oog op het laatste oordeel werd begraven in of bij de kerk. De uitvaart zelf was een zaak waarbij de buren een belangrijke rol speelden. Voor de nabestaanden was het zo mogelijk om te rouwen. De buren sloten de ramen en deuren van het huis, dekten schilderijen af en draaiden spiegels om. Ook het wassen van de overledene en aantrekken van de lijkwade was hun taak. Lag de overledene eenmaal in de kist, dan werd deze met de voeten naar de voordeur opgesteld en familie en bekenden uitgenodigd voor de begrafenis.
Het dragen van de kist naar de begraafplaats was opnieuw de taak van de buren. Pas in de achttiende eeuw zou dit aan professionele ‘uithalers’ worden overgelaten. Familie en vrienden volgden. Ter plaatse werd één of twee keer rond de kist gelopen voor deze in het graf werd gelegd. Daarbij moest het hoofd aan de westzijde liggen. Vertegenwoordigers van de kerk spraken gebeden. Vervolgens werd het graf dichtgegooid en werd er een lijkkleed over uitgespreid. Rijken konden zich veroorloven in de kerk te worden begraven. De armen lagen op het kerkhof erbuiten. Omdat de plek beperkt was, moesten graven regelmatig worden geruimd en werden bij de kerken knekelhuisjes gebouwd.
TAKJES ROZEMARIJN
Een bijzonder gebruik dat voorkwam, was het meegeven van takjes rozemarijn. Dit kruid stond symbool voor onsterfelijkheid omdat de plant altijd groen blijft. De rozemarijn werd in de kist gelegd of in een kussen gestopt. In Haarlem is het ook gevonden als krans om het hoofd van een meisje. Het gaat hier om een katholiek gebruik dat voortduurde tot in de achttiende eeuw. Vanwege de heidense oorsprong werd het door de protestanten verboden. Misschien niet zo slim, want behalve als symbool voor het eeuwige leven, zal de geur van het kruid ook hebben geholpen tegen de minder aangename lijklucht.
Het terugkeren naar het graf van een dierbare kan gezien worden als de laatste handeling van de nabestaanden voor de overledene. Het is van de verschillende rituelen die met het begraven samenhangen misschien wel de meest constante. Tegenwoordig kan iedereen een eigen invulling geven aan hoe de uitvaart er uit moet zien. Van traditioneel en kerkelijk tot informeel en persoonlijk. Naast begraven komt cremeren vanaf eind jaren zestig van de vorige eeuw in opkomst.
BRONNEN
– E. van der Kleij, Architectuur en stedenbouw in Noord-Holland 1850-1940, Zwolle 1993.
– A. van Zalingen, burenplicht: begrafenisrituelen in Haarlem tot de 18e eeuw Mei 2020
– Tussen hemel en hel, sterven in de middeleeuwen | Historiek