Kalkoven De Valk werd rond 1933 gebouwd op initiatief van burgemeester Thomassen van Cadier en Keer. De branderij, de enige kalkoven in Nederland waarvan het buitenwerk is opgetrokken uit mergel, was bedoeld als werkgelegenheidsproject, om de gevolgen van de beurskrach van 1929 en de daarop volgende economische crisis te temperen.
In de kalkoven werd mergel uit de nabijgelegen groeve ‘t Rooth met behulp van fijnkorrelige of cokes tot kalk gebrand. Het resultaat was in eerste instantie ongebluste kalk, vooral gebruikt in kalkmortel, of het werd geblust met water en diende daarna als witkalk of om uitgemergelde akkers weer op krachtte brengen.
Hoewel de hoogtijdagen van de kalkbranderij ten tijde van de bouw van de oven al zo goed als achter de rug waren, bleef de kalkoven onder diverse eigenaren tot 1963/64 actief. Daarna was de concurrentie met grotere Belgische bedrijven te groot geworden, en raakte het bouwwerk in verval. Op initiatief van de Vereniging tot Natuurbehoud Cadier en Keer werd de kalkoven in de jaren 2002/2003 gerestaureerd. Eigenaar is nu de stichting Het Limburgs Landschap.
Kalkoven De Valk is een voorbeeld van de mergelwinning en de daaraan gekoppelde industrie die een groot deel van het landschap van Zuid-Limburg decennialang mede heeft vormgegeven. Het is een stukje industrieel erfgoed dat, na jarenlange verwaarlozing – de waarde ervan werd lang niet ingezien – weer in ere hersteld is.