
| Inleiding
Aan de rond 1500 tot stand gekomen laatgotische toren van de in 1931 gesloopte dorpskerk van Sint Jan de Doper is naar tekeningen van H.W. Valk een eenbeukige kruiskerk aangebouwd, in een mengeling van Streekeigen Ambachtelijk- traditionele vormen en Neogotiek.
Omschrijving Eenbeukige kruiskerk met smaller en lager koor en nevenruimten, opgetrokken uit imitatie handvorm kloostermoppen met spaarzaam gebruik van Römer tufsteen, met leien zadeldaken. Het schip telt zes vakken, het koor heeft een vak en een viertiende sluiting. Het schip heeft links en rechts van de toren in het eerste vak laag doorgetrokken kapellen met lessenaarsdaken. Deze kapellen worden aan de oostzijde afgesloten door getrapte schildmuren, die de overgang vormen naar de schipwanden. Deze hebben in de volgende drie vakken smalle spitsboogramen met vorktracering in aan de Kempense laatgotiek ontleende topgeveltjes met steekkappen, geflankeerd door forse getrapte steunberen met ezelsruggen. De twee vakken nabij de transeptarmen gaan schuil achter nevenruimten met aan het schip aangekapte lessenaarsdaken en gevels met vlechtingen. Het smallere en lagere koor is aan de noord- en zuidzijde ingesloten door de transeptarmen en de sacristie. De transeptarmen hebben topgevels met vlechtingen en spitsboogramen met vierdelige vorktraceringen. Op de scheiding tussen koor en schip een bakstenen klokkengevel. De koorsluiting heeft versneden steunberen en hoge spitsboogramen met vorktraceringen. De sacristie aan de noordzijde heeft een zadeldak en topgevels met vlechtingen en is door een plat afgedekte ruimte met het koor verbonden. In de oostgevel vijf gekoppelde tudorboogramen. Het inwendige is uitgevoerd in schoon metselwerk. Het schip heeft rechte zijmuren, vanwaaruit hoge paraboolbogen in baksteen opgaan, die meloenvormige gewelven dragen waarin met hoge steekkappen de spitsboogramen zijn uitgesneden. De gewelfvelden tonen afwisseling van liggende en op hun kant gemetselde moppen. Aan de westzijde zijn de forse steunberen van de toren in de kerkruimte zichtbaar. De vijfde travee van het schip gaat door middel van een spitsboog over in de nevenruimten ten westen van het transept, de zesde travee sluit door schuingeplaatste muren met een spitsboog aan op de triomfboog, die boven een brede spitsboog twee smalle blindnissen heeft. Het koor heeft in de eerste vierkante met een koepelgewelf overkluisde travee brede spitsbogen, die openen naar de transeptarmen. De koorsluiting heeft een graatgewelf. De transeptarmen zijn overwelfd met graatgewelven en hebben aan de oostzijde een altaarnis met spitstongewelf. Het inwendige is typerend voor de wijze waarop Valk de expressionistische baksteenvormen uit zijn eerste periode mengt met traditionele neomiddeleeuwse baksteenvormen. Door de ingenieuze, vloeiende gewelfvormen rondom transept en koor realiseert hij zijn ideaal van de Christocentrische kruiskerk met ongebroken zicht op het altaar, ook voor de gelovigen in de kruisarmen. |