
Maak kennis met het verhaal van Vincent van Gogh in Drenthe. In het voormalig Logement Scholten – het huidige Van Gogh Huis Drenthe – verbleef Van Gogh van 2 oktober tot 4 december 1883. Hij was al 3 weken in Hoogeveen geweest, maar wilde verder Drenthe in, naar de veengebieden en meer natuur. Hij schreef in Drenthe 23 brieven, voornamelijk aan zijn broer Theo over wat hij beleefde, hoe hij het landschap ervoer maar ook waar hij mee worstelde.
In het Van Gogh Huis staat de mens Vincent centraal. Zijn kamer is de enige in Nederland overgebleven locatie waar hij gewoond heeft die nog openbaar te bezoeken is. Onze bezoekers zeggen vaak ‘Dichter bij Vincent kun je niet komen’.
Tijdens de Open Monumentendagen kun je tegen gereduceerd tarief van € 6,50 het huis en de kamer bezoeken.
Bakker Hinderikus Jonker 1860-1864
De boermarke van Erm bouwde omstreeks 1860 op de westhoek van de Schooldijk met de Hoogeveensche Vaart een stenen veerhuisje. Daar werden per schip pakjes bezorgd, die vanuit Hoogeveen en/of Meppel kwamen. De pachter van dit huis werd Henderikus Jonker, die er een bakkerij ging drijven. Bakker Hinderikus Jonker werd op 26 maart 1830 in Veldhuizen (Duitsland) geboren als zoon van landbouwer Jan Jonker en Susanna Deters. Hij huwde op 15 juli 1858 in Dalen met Hilligje Roemer, geboren in Schoonebeek op 7 april 1834 als dochter van bakker Hindrik Roemer en Lammechien Snijders. Hindrikus Jonker werd waarschijnlijk door zijn schoonvader Hindrik Roemer opgeleid tot bakker. De eerste kinderen werden geboren in Schoonebeek, waar Hindrikus toen bakker was. Tussen 5 juni 1860 en 27 mei 1861 vestigde hij zich vanuit Schoonebeek op Veenoord, waar hij bakker werd. Bakker Hendrikus Jonker vertrok 30 mei 1864 naar Erm en zette zijn bakkerij daar voort. Uit hun huwelijk werden geboren: Hendrik (geb. Schoonebeek 16 juli 1858), Susanna Geertruida (geb. Schoonebeek 31 januari 1860, overl. ald. 5 juni 1860), Jan (geb. Veenoord 27 mei 1861, overl. ald. 5 oktober 1863), Steven (geb. Veenoord 8 februari 1863) en Jan (geb. Erm 24 januari 1865, overl. ald. 4 augustus 1866). Zijn echtgenote Hillegje overleed op 8 oktober 1866 in Erm.
Weduwnaar Jonker hertrouwde op 1 mei 1868 in Sleen met Eempien Gossen, geb. 22 maart 1835 in Emmen als dochter van Jan Gossen en Grietien Egberts. Uit het tweede huwelijk werden geboren: Susanna (geb. Erm 31 mei 1868) en Jan (geb. Erm 27 november 1870).
Bakker Jan Scholten 1864-1871
De bakkerij van Hinderikus Jonker werd waarschijnlijk niet lang daarna voortgezet door bakker Jan Scholten. Hij werd op 13 februari 1842 in Dalen geboren als zoon van Jan Harm Zwart Scholten en Johanna Sibon. Zijn vader was jong overleden en zijn moeder hertrouwde op 2 februari 1854 met molenaar Bernardus van Aalst. Kort daarna werd op 7 april 1854 zoontje Johannes van Aalst geboren en verhuisde het echtpaar met jongste kind op 1 mei 1854 naar Vlagtwedde. Zoon Jan Scholten bleef met zijn broers Evert en Albertus in het ouderlijk huis wonen bij de inwonende gepensioneerd soldaat Johannes Sibon (geb. Nieuweschans 1797). Op 18 juni 1860 waren stiefvader Bernardus van Aalst en moeder Johanna Sibon terug in Veenoord, waar de stiefvader molenaar werd.
Stiefzoon Jan Scholten ging bij zijn stiefvader inwonen, waar hij in ieder geval tot 6 februari 1862 woonde. Maar hij vestigde zich blijkbaar daarna – waarschijnlijk in 1864 – als bakker aan de zuidzijde van de Hoogeveensche Vaart in het pand van de voormalige bakker Hinderikus Jonker. Aan de andere zijde van de Hoogeveensche Vaart had Berend Uiterwijk uit Zweeloo een bakkerij met winkel gebouwd. Toen Uiterwijk op 21 december 1865 in Veenoord overleed, hertrouwde zijn weduwe Geesien Kamps – dochter van Jan Willems Kamps en Hillechien Paping – op 9 november 1866 in Sleen met Jan Scholten, bakker te Veenoord. Omstreeks 1867 werd de bakkerij door Jan Scholten in eigendom overgenomen van de markegenoten van Erm.
Zijn vrouw Geesien Kamps had in haar eerste huwelijk de volgende kinderen: Henderikus (geb. Zweeloo 3 mei 1859, overl. ald. 15 mei 1859), Roelofje (geb. Zweeloo 12 mei 1860), Hillichje (geb. Zweeloo 6 oktober 1862) en Henderik (geb. Veenoord 26 februari 1865, overl. ald. 27 juli 1865). Jan Scholten kreeg uit zijn huwelijk de volgende kinderen: Johannes (geb. Veenoord 14 januari 1867) en Johanna (geb. Veenoord 21 maart 1869) en Mijntje (geb. Veenoord 29 januari 1875). Geesje Kamps overleed op 31 december 1870 in Ermerveen.
Jan Scholten hertrouwde op 16 februari 1872 in Sleen met Fennigje Bergmeester, geboren op 19 maart 1852 in Odoorn als dochter van verveener Willem Bergmeester en Roelofje Trip. Uit dit huwelijk werden geboren: Johanna (geb. Veenoord 13 maart 1873), Mijntje (geb. Veenoord 29 januari 1875), Hester Aleida Johanna (geb. Nieuw-Amsterdam 3 april 1877, overl. ald. 19 april 1877), Hester Aleida Johanna (geb. Nieuw-Amsterdam 15 augustus 1878), Rolina (geb. Nieuw-Amsterdam 5 januari 1881), Jansje (geb. Nieuw-Amsterdam 3 mei 1883), Wilhelmina Gesina (geb. Nieuw-Amsterdam 22 oktober 1886) en Rolina Johanna (geb. Nieuw-Amsterdam 6 november 1890, overl. ald. 29 oktober 1891). In 1891 was Jan Scholten molenaar in Nieuw-Amsterdam.
Jan Scholten verkocht het pand omstreeks 1871 aan mr. Jan Albert Willinge Gratama, procureur te Assen. Deze liet het oude pand afbreken en bouwde op dezelfde locatie een logement, dat werd verpacht. Jan Scholten begon een winkel annex tapperij bij de Berkhoutbrug. Hij ging in 1875 failliet, waarna de inboedel te koop werd aangeboden.
Bakker Koop de Vroome 1871-1876
De eerste pachter van het logement van Gratama werd Koop de Vroome. Koob de Vroome werd op 23 februari 1824 in Smilde geboren als zoon van Jacobus Lambertus de Vroome en Grietien Koops Smidt. Hij trouwde op 20 april 1855 in Smilde met Aaltje Joffers, geboren aldaar op 12 augustus 1835 als dochter van Jan Alberts Joffers en Jantien Harms Middelbos(ch). Het echtpaar kreeg de volgende kinderen: Jacobus Lambertus (geb. Smilde 29 maart 1856), Jan (geb. Kloosterveen 29 januari 1863), Grietje (geb. Smilde 6 april 1866, overl. ald. 5 augustus 1866), Grietje (geb. Kloosterveen 16 september 1867), Annechien (geb. Veenoord 11 mei 1871) en Maria Gezina (geb. Veenoord 9 juni 1875). Koop de Vroome overleed op 11 juni 1880 in Nieuw-Amsterdam.
Provinciale Drentsche en Asser Courant van 24 juli 1871: ‘Tot brievengaarder te Nieuw-Amsterdam is benoemd de heer K. de Vroome aldaar, in plaats van den heer W. Bergmeester, die naar elders is verplaatst.’
Hendrik Scholte 1876-1903
Op 25 februari 1876 koopt Hendrik Scholte, molenaar te Odoorn, van mr. Jan Albert Willinge Gratama ‘eene behuizinge en erf, gelegen te Nieuw-Amsterdam, gemeente Sleen en bij die gemeente Kadastraal bekend Sectie E, nummer 930, groot vier ares en dertig centiares’ voor een bedrag van ƒ 6.800. Het gaat om het logement op de hoek met de Schooldijk.
Hendrik Scholte krijgt al snel concurrentie lezen we in de Provinciale Drentsche en Asser Courant van 11 augustus 1876: ‘Logement en Stalling. Ondergeteekende een Logement en Koffijhuis geopend hebbende te Nieuw-Amsterdam bij de Brug, tegenover het vroeger Logement van K. de Vroome, beveelt zich beleefdelijk aan. Nieuw-Amsterdam. J. van Dalen Jr.’ In dezelfde courant van 14 augustus 1876 kondigen ze opnieuw de opening aan van het logement, maar ook van een wijziging van de dienstregeling van de trekschuit.
Op 2 april 1880 koopt Hendrik Scholte, logementhouder te Nieuw-Amsterdam, in het logement van overbuurman Jan van Dalen, voor notaris mr. A.W. van Holthe tot Echten ‘Een perceel bovenveen aanwezig op gronden gelegen aan de Stadniskiwijk (gelegen) lees in het Amsterdamscheveld gemeente Emmen nummer drieentachtig groot een hectare’ voor een bedrag van ƒ 1.084. Verkopers zijn Freerk Stoker, goud- en zilversmid te Assen, en Willem Hummelen, hoofdonderwijzer te Assen, die zich hebben laten vertegenwoordigen door Hendrik Stoker, banketbakker te Assen, en Jan Boerhave, landbouwer te Kloosterveen.
De volgende verkoopvoorwaarden gelden: ‘1. Bij deze verkoop of verhuring wordt geen ondergrond overgedragen, maar wordt alleen het gebruik van den grond afgestaan. Het bovenveen moet worden vergraven in den tien achtereenvolgende jaren, de turf die in het jaar volgende op het laatste graafjaar niet voor één December is vervoerd vervalt weder aan den eigenaren van de ondergrond; wordt de selven eerder vergraven dan in opgenoemde graafjaren dan moet toch afstand worden gedaan van den ondergrond en wel met November van het daaropvolgende jaar.’ De ondergrond was in eigendom van de Drentsche Landontginnings Maatschappij onder beheer van G. Cruijs Czn. & H. Meinesz te Amsterdam.
Dit is de veenderij waar Vincent van Gogh zijn ‘Turfpraam’ geschilderd heeft. De turf moest er vóór 1 december van ieder jaar zijn afgehaald; dat was juist de periode dat Vincent in het logement van Scholte doorbracht.
Van Gogh schreef op vrijdag 12 of zaterdag oktober 1883 een brief aan broer Theo, waarin hij sprak over zijn kamer bij Hendrik Scholte in het logement: ‘Ik heb nu een redelijk groote kamer waar een kagchel gezet is, waar toevalligerwijs een klein balcon aan is. Van waar ik reeds de heide met de keeten zien kan. Verder zie ik op een heel curieuse ophaalbrug. Nu, beneden is herberg & een boeren keuken met open turfvuur, heel gezellig s’avonds. Men kan ’t best denken bij zoo’n boerenhaard waar een wiegje bij staat. Als ik melankoliek me voel of ergens niet uit kan, ga ik maar eens naar beneden.’
In een brief van omstreeks 16 oktober 1883 schrijft Vincent over een wiegje waarnaast hij zit bij het turfvuur. Dit moet het wiegje zijn geweest waarin de op 17 april 1883 geboren dochter Alida Wilhelmina Scholte ligt: ‘Ik heb nu een maand heilucht ingeademd, ik had die ook absoluut noodig – ik ben gaan zitten bij een boeren turf vuur met een wieg er naast.’
In een brief van omstreeks 26 oktober 1883 aan zijn broer Theo schreef Vincent van Gogh over een gesprek dat hij had met Hendrik Scholte: ‘Ik sprak onlangs met den man bij wien ik woon, die ook zelf boert, over iets soortgelijks.– Toevalligerwijs wegens hij vroeg hoe het in Londen gesteld was, hij had daar zoo veel van gehoord.– Ik zeide tot hem dat voor mij een eenvoudige boer die werkte en dacht bij zijn werk, de beschaafde man was – dat zulks altijd zoo geweest is, altijd zoo blijven zal, dat op het land men hier & daar er een ziet in wien men ziet wat dat is, en in stad men onder de heele, heele zeldzame allerbesten enkele lui vindt die op heel verschillende wijs bijna precies even nobel zijn. Doch dat mijns inziens het daar bij blijft en dat in ’t algemeen op ’t land men meer kans heeft een redelijk wezen te ontmoeten dan in stad.– En verder dat ik meende dat hoe meer men bij de groote steden kwam, hoe verder men in het donker van onbeschaving en domheid en slechtheid kwam.– Hij zeide dat eigentlijk ’t hem ook zoo voorkwam.–‘
Op 5 december 1883 overlijdt in Holthone Zwaantje Arink-Meilink, de schoonmoeder van Hendrik Scholte. Waarschijnlijk was kort daarvoor het gezin Scholte naar Holthone vertrokken en waren die niet thuis toen Vincent van Gogh op 4 december 1883 de terugreis naar Brabant begon. Beladen met waarschijnlijk zijn schilderskist en diverse schilderijen liep hij in de regen en sneeuw terug naar Hoogeveen. Voor de veerschuit zal hij geen geld meer hebben gehad. En de vraag is of hij zijn huurbaas Hindrik Scholte ook heeft kunnen betalen.
In 1890 koopt Hendrik Scholte er van Arend Nijhuis, landbouwer en lid van de raad te Sleen, een huis en erf bij groot 8 are 48 centiare voor ƒ 250, met welk perceel het bestaande pand wordt uitgebreid, zodat het in 1892 door bijbouw en vereniging is geworden groot 16 are 30 centiare.
Op 3 december 1903 verkoopt hij ‘een gebouw ingericht voor café en woonhuis benevens schuur en bergplaats, erf en open grond, gelegen te Veenoord, kadastraal bekend gemeente Sleen Sectie E nummer 1815 groot zestien aren dertig centiaren’ aan Andries Mol, scheepsbouwmeester te Dedemsvaart, voor ƒ 7.000. Hij verkoopt zijn logement aan schoonzoon Andries Mol.
Op 10 maart 1904 laat Hendrik Scholte de complete inboedel veilen. Het gebouw wordt na de verkoop voorzien van een witte pleisterlaag, waarschijnlijk om het meer aanzien te geven.
Andries Mol 1903-1919
Het gebouw wordt na de verkoop aan de westgevel uitgebreid en de voorgevel wordt voorzien van een witte pleisterlaag, waarschijnlijk om het meer aanzien te geven.
In 1904 ruimde dochter Jowina Klasina Mol-Scholte ‘de rommel’, die Vincent bij zijn vertrek had achtergelaten’, op. Onder ‘rommel’ te verstaan: schilderijtjes en tekeningen. Tevoren hadden ze er werken van weggeschonken, zonder dat dit door de ontvangers op prijs werd gesteld. Wat er daarna aan spullen nog overbleef, ging de kachel in of verdween op andere wijze. Het door Vincent van Gogh in Nieuw-Amsterdam vervaardigde schilderij van een trekschuit, dat na het huwelijk van Alida Wilhelmina Zuideveld-Scholte in 1909 nog in de ouderlijke woning aanwezig moet zijn geweest, zal de kachel niet zijn ingegaan. Evenmin als de tekening die Vincent volgens zijn zeggen van de kleine Alida Wilhelmina Scholte als wiegekindje had vervaardigd.
Behalve het café van Mol zetelde er rond 1915 een agentschap van de ‘Nationale Levensverzekering Bank’ uit Rotterdam en een verhuis-, transport- en autodienstbedrijf Amsterdam-Groningen in het voormalige logement van Scholte.
In 1919 verkocht Andries Mol het logement aan Jan Beuker (1873-1953), een in de verre omgeving bekende caféhouder uit Erica. Hij liet in 1922 een nieuwe, langere achterzaal aanbouwen aan het voormalige logement van Scholte én een nieuwe losstaande stenen schuur achter het voor- en achterhuis, die door een smal steegje van het huis was gescheiden. De bouwtekening van de achterzaal is bewaard gebleven. De nieuwe achterzaal was, zoals ook gebruikelijk in de tijd van Hendrik Scholte en Andries Mol, bestemd voor vergaderingen, voorstellingen, veilingen en dorpsactiviteiten.
Op een ansichtkaart uit 1915 is te zien dat het balkon aan de voorzijde ontbreekt. Beuker liet rond 1925 het balkon weer plaatsen bij het voormalige atelier van Vincent van Gogh.