De meest robuuste onder de molens op het grondgebied van Hazerswoude-Dorp is die in het Rietveld. De achtkantige binnenkruier werd gebouwd in het jaar dat de Tachtig Jarige oorlog ten einde liep. In dat jaar werden zeven kleine polders, waaronder de Rietveldse polder, samengevoegd. De molen was een uitvloeisel van de afspraak tussen de polderbesturen, dijkgraaf en hoogheemraden van Rijnland dat een nieuw te bouwen molen de polder het jaar rond droog moest houden. Niet iedereen was gelukkig met die afspraak.
In het Rietveld lagen verschillende eendenkooien waar kooikers een deel van hun brood verdienden met het vangen van eenden. Nu de waterhuishouding veranderde, dreigden eendenkooien droog te vallen en dus te verdwijnen. In 1652 kwam de zaak voor het gerecht met als uitkomst een compromis: het werd de eigenaars toegestaan om kleine molentjes te bouwen om de kooien kunstmatig nat te houden. Korte tijd was de Rietveldse molen er voor droge voeten en enkele manshoge molentjes voor het nat houden van de kooien. Die situatie heeft niet lang geduurd en de eendenkooien verdwenen stilaan uit het landschap.
Net als de andere Hazerswoudse molens is ook de Rietveldse molen bekend onder een andere naam. Hij werd de ‘palingmolen’ genoemd omdat de molenaar ’s nachts tijdens het malen veel paling ving. Waarschijnlijk daarom was het tot 1905 traditie dat het polderbestuur na de jaarlijkse grote schouw de maaltijd gebruikte bij de molenaar van de Rietveldse molen. Van 1791 tot 1925 werd de molen bemalen door vijf generaties uit het molenaarsgeslacht Van den Bosch. Uit dit molenaarsgeslacht stamde ook de bekende, hervormde predikant Dirk Arie van den Bosch (1884-1942). De laatste beroepsmolenaar was C. Schellingerhout die de molen tot 1966 draaiende hield. In dat jaar verloor de molen zijn functie.
In 1967 werd de Rijnlandse Molenstichting eigenaar. Bij een robuuste molen hoort soms robuust onderhoud. In 1996 was er een bedrag van twee ton nodig voor een grondige opknapbeurt. Een grote houten ton op de kapzolder herinnert aan het altijd aanwezige gevaar van brand. De molenaar was verplicht om een ton met water klaar te hebben staan om bij het warmlopen van de molenas vuur onmiddellijk te kunnen blussen.