Zie Downloads voor origineel artikel met foto’s in kleur uit Friesland Post juni 2025
Van kerkelijk legaat tot karaktervolle woning
Een gemeentelijk monument met ornamenten, glas-in-lood, een rijk verleden en
een verrassende indeling. Alle Jan Kuiper en Petra Woud berg vielen als een blok voor de neoclassicistische woning aan de Meyerweg 25 in De Knipe. Met veel liefde en vakmanschap brachten zij het huis, dat ooit eigendom was van de kerk, grotendeels terug in authentieke staat. ‘Eigenlijk zijn we nooit klaar – maar dat hoort erbij.’
Alle Jan en zijn vrouw Petra voelden zich al langer aangetrokken tot het karakteristieke pand iets verderop in hun eigen straat in De Knipe. Toen het beschikbaar kwam, hoefden ze niet lang na te denken. ‘Echt iets anders dan anders, met de mooie ornamenten aan de voorzijde’, legt Kuiper uit. Datzelfde geldt voor de binnenkant. ‘Ook deze is bijzonder. Er is geen recht stukje hout gebruikt. Al het hout heeft een bewerking ondergaan.’
De architectuur is van historische waarde, weet hij. ‘Het pand staat beschreven als een representatief voorbeeld van de statige burgerlijke woningarchitectuur aan het einde van de 19e eeuw. Vooral vanwege de symmetrische gevelindeling, de ornamenten rondom de bovenlichten, de rijk gedecoreerde dakkapel en de toepassing van glas-in-lood.’ Het huis is niet uniek. ‘In Mantgum staan meer van dit soort neoclassicistische woningen. Soms gaan we er even kijken om inspiratie op te doen, bijvoorbeeld voor het aanleggen van de tuin.’
Kerkelijk bezit
Over de geschiedenis vertelt Kuiper: ‘Het pand is in 1895 gebouwd in opdracht van Klaas Hansez Veenbaas. Daarna is de woning in het bezit geweest van een koopman/winkelier, een rijwielhandelaar en een veehouder. Middels een boedelverdeling werd het eigendom van Ietje Jongbloed en Jan Sies Zwart. Na een geschil wilden zij niet dat de Belastingdienst hun bezittingen in handen kreeg. Daarom is het eigendom van de woning in 1986 als legaat overgedragen aan de Katholieke, de Hervormde en de Gereformeerde kerk, in de naam van het Zwart-Jongbloedfonds.’
Het pand werd door de kerken verhuurd aan dorpsbewoners die tijdelijk woonruimte nodig hadden. ‘Aan de huur waren twee voorwaarden verbonden’, aldus Alle Jan. ‘Je moest een belijdend lid van de kerk zijn
– dat waren wij. Daarnaast moest je van goede naam en faam zijn. Blijkbaar was dat ook het geval. Toen zijn we hier ingetrokken.’ Er gold nog een
andere regel: ‘We moesten de regentenkamer vrijhouden voor vergaderingen van de zogenaamde regenten. Dat hebben wij destijds gedaan, al is hier nooit vergaderd. De bijeenkomsten vonden altijd plaats in het bankgebouw van de penningmeester.’
Aanvankelijk wilden de kerken het gebouw graag behouden. ‘Er was echter nogal veel achterstallig onderhoud – zowel binnen als buiten. Het pand zag er niet uit. Om geen extra kosten te maken, waren de luiken aan de binnenzijde bijvoorbeeld dichtgespijkerd en met kranten gevuld. Er moest zoveel aan het huis gebeuren, dat de renovatie veel te duur zou worden. Daarom werd in 1993 besloten om het pand alsnog in de verkoop te doen. Na een onderhandelingstraject is het uiteindelijk ons bezit geworden.’
Oude foto’s als leidraad
Na de aankoop had Alle Jan één belangrijk doel: de woning in oude glorie herstellen. ‘Via Kynhout, de historische werkgroep van De
Knipe, ben ik in het bezit gekomen van oude foto’s. Daar was ik erg blij mee. Hiermee kreeg ik een goed beeld van hoe het pand er in het verleden uitzag.’ Aan de hand van die foto’s startte de restauratie. ‘Ik zag bijvoorbeeld dat er vroeger kappen op de schoorsteen zaten. Deze waren inmiddels verdwenen. Daarom heb ik die kappen, van een meter bij een meter, in het zink en lood laten namaken.’
Aan de hand van oude foto’s startte de restauratie
De zijkanten van de kajuit zaten dichtgespijkerd. ‘Toen ik deze opende, kon ik precies zien waar de oude kozijnen hadden gezeten. Zo kon alles weer worden nagemaakt en in oude, originele staat hersteld. Verder hebben we de voorgevel en schoorsteen uitgekapt en opnieuw gevoegd. Deze klus is door vakmannen helemaal met de hand uitgevoerd.’
Ook de voordeur werd aangepast. ‘Op de oude foto’s was een dubbele deur te zien met een raamwerk van gietijzer. Op zolder bleek nog een deel van het raamwerk te liggen. Een kennis
heeft dit opnieuw gegoten. Zo hebben we de deur in vrijwel originele staat kunnen herstellen.’
Vervolgens was het tijd om de binnenkant aan te pakken. ‘Samen met een neefje, die destijds een jaar of vijftien was, heb ik alle kozijnen helemaal kaal gemaakt De deuren hebben we naar een vakman in Balk gebracht, die ze in een loogbad heeft gelegd. Alle paneeldeuren zijn nagekeken en in ere hersteld.’
In de gang was een linoleumvloer aangelegd. ‘Deze was na twintig jaar erg vies geworden. Daarom hebben we die vervangen door tegels. Onlangs hebben we de hardstenen dorpel naar een steenhouwerij gebracht. Daar is er weer een opzetrand aangezet. Ook is de voorkant met een beitel bewerkt. Echt vakwerk.’
De rechterzijde van het huis wordt zoveel mogelijk authentiek gehouden. Er zijn allerlei mooie elementen, zoals de suitedeuren en de met zwart marmer beklede haard. ‘Zwart marmer zie je bijna nergens meer.’
Het glas-in-lood is eveneens origineel. ‘Dat hebben we alleen opnieuw in het lood laten leggen.’
Ornamenten schilderen
Ook de ornamenten aan het plafond zijn authentiek. ‘Ze zijn prachtig. Maar het was een enorme klus om ze te schilderen’, blikt Kuiper terug. ‘Je moest op je rug op een steiger liggen om zo met een kwastje de ornamenten een kleur te geven. Het was echt een monnikenwerk. Onze drie kinderen hebben erbij geholpen. Iedereen deed iedere keer een stukje.’
De linkerzijde is niet authentiek gebleven. ‘We hebben er met onze kinderen, die inmiddels allemaal uit huis zijn, gewoond. Dan moet de
woning ook praktisch zijn. Boven was er een open zolder. Deze was helemaal kaal en die hebben we opnieuw geïsoleerd en ingedeeld. Hier zijn drie slaapkamers en een badkamer gerealiseerd.’
Op de benedenverdieping was aan de rechterzijde een kleine keuken, een douche en een regentenkamer gesitueerd. ‘Daar hebben we een royale woonkeuken van gemaakt. Dat is ook de plek in huis waar wij het meeste zitten.’
Lust en last
Op de inzet van enkele vaklieden na is al het onderhoud door Alle Jan zelf uitgevoerd. ‘Het is niet mijn vak, maar wel mijn hobby’, verklaart
hij. ‘En het werk zit ook wel een beetje in mijn bloed, want zowel mijn vader als broers en neven waren timmerlieden.’ Het onderhouden van een monumentaal pand is zowel een lust als een last, ervaart hij. ‘Eigenlijk zijn we nooit klaar. De komende tijd willen we de tuin aanpakken. Daarna moet het binnen weer geverfd worden en ook de parketvloer heeft onderhoud nodig. Er zijn nog klussen genoeg.
TEKST WENDY NOORDZIJ FOTO’S COR POT