
Hofjes zijn een typisch Nederlands verschijnsel. Je kunt een hofje beschouwen als een beschutte woonvorm, gesticht door particulieren, de kerk of liefdadigheidsinstellingen, waarbij het motief van de stichters was om de bewoners een onbezorgde oude dag te verschaffen. De bewoners waren meestal oudere, arme vrouwen of weduwen. De naam hofje, is een afgeleide van het woord ‘hof’, dat van oorsprong werd gebruikt om een tuin mee aan te duiden. Claes Stapel was notaris van beroep en één van de drie oprichters, naast de koopmannen Pieter Bos en Jan Koekebacker.
De westelijke huisjes (links) zijn het oudst. Ze zijn gebouwd in het stichtingsjaar 1682. De huisjes aan de oostzijde een krappe eeuw later. De oorspronkelijke indeling was heel eenvoudig. In het kamertje van 4 bij 4 meter bevond zich een bedstede, een vaste hoekkast en een stookplaats. Een laddertje leidde naar de gemeenschappelijke zolderverdieping die diende als bergruimte en droogruimte voor de was. In de 18e eeuw was het maximum van elf huisjes bereikt.
In een stichtingsakte legde men vast hoe het hofje bestuurd moest worden en wat de eisen aan – en de leefregels voor – de bewoners waren. Het bestuur bestond uit een college van regenten. De dagelijkse leiding was in handen van de hofjesvrouw, ook wel “hospes” genoemd. Zij woonde in het grootste huisje aan de noordzijde, rechts van het steegje. De deur rechts naast de hofjesvrouw gaf toegang tot het gemeenschappelijk ‘secreet’ met twee toilettonnen. Links naast het steegje is in 1893 de regentenkamer gebouwd.
De binnentuin van een hofje werd gebruikt als bleekveld, voor de waterpomp en als moestuin. In dit hofje zijn nog twee historische waterpompen aanwezig. Een eenvoudige keukenpomp op de hoek van de zuidelijke gevel en een pomp tegen de oostelijke gevel. Bij de zuidelijke gevel steekt een gemetselde toegang van 40 x 40 cm. boven het maaiveld uit. Deze is afgedekt door een natuurstenen plaat voorzien van een emmergat met metalen deksel welke toegang geeft tot een ondergrondse gemetselde waterkelder. Waterkelders werden gevuld met hemelwater dat van de daken via regenpijpen in de kelder liep. Ook de pompen waren op deze waterkelder aangesloten.
In 1954 besloot de gemeente de huisjes te verbouwen om ze aan de moderne eisen te laten voldoen. Twee huisjes werden samengevoegd tot een wooneenheid, de woonkamer werd voorzien van een open keuken met eigen watervoorziening en er kwam een watercloset en een aparte slaapkamer. Tegelijkertijd is de oorspronkelijke doelstelling van het hofje vervallen. Het zijn nu zelfstandige bewoners die op zakelijke basis een woning huren. Het renaissance toegangspoortje, ooit de toegang tot de Latijnse school aan de Kruisstraat, is hier in 1956 geplaatst.
Kijk ook eens naar de gevels van Munnickenveld 15-19, daar bevindt zich een unieke gevelsteen van eikenhout. Omdat hout veel kwetsbaarser is dan steen, zijn dit type gevelstenen zelden bewaard gebleven in Nederland. In 2026 is de gevelsteen gereconstrueerd omdat de staat van het hout hard achteruit ging. Het origineel is 3D-gescand en vervolgens uit massief eikenhout gefreesd en met de hand bewerkt. De originele gevelsteen is geschonken aan het Westfries Museum. De gevelsteen vertelt het Bijbelse verhaal Judith en Holofernes, waarbij Judith haar stad redt van de ondergang door de vijandige legeraanvoerder Holofernes te verleiden en te onthoofden.