

De graaf van Holland gaf in 1347 aan Hoorn toestemming tot de bouw van een gasthuis bedoeld als overnachtingsplaats voor reizigers. Het gasthuis groeide in de 15e en 16e eeuw uit tot een complex van gebouwen waar ook behoeftige mensen werden verzorgd. Hiermee stond het aan de basis van het tegenwoordige ziekenhuis. Momenteel bestaat alleen nog het in 1563 gebouwde monument aan het Kerkplein dat tot halverwege de 19e eeuw dienst heeft gedaan als ziekenzaal.
Het pand bezit een van de vroegste en best bewaarde renaissance gevels van ons land. Van die stijl getuigen vooral de natuurstenen onderdelen zoals het rijk gebeeldhouwde cartouche met het bouwjaar 1563, de klassieke beeldnis met het beeld van Johannes de Doper (St. Jan) en de ingemetselde medaillons met uit de gevel stekende koppen.
Uniek aan de trapgevel zijn de zes grote, gebeeldhouwde klauwstukken met manshoge, in rolwerk gevatte figuren. Zij zijn gemodelleerd naar prentwerk van de Antwerpenaar Cornelis Florisz en vormen een van de meest aansprekende voorbeelden van deze ornamentstijl in de Noordelijke Nederlanden.
De begane grond bestaat uit één grote zaal van ruim 20 bij 7 meter, met aan de noordzijde hooggeplaatste vensters. Tegen de muren stonden ooit lange rijen bedsteden, waarin de zieken werden verpleegd. De zandstenen consoles van de zaal zijn behakt met verschillende maskerkoppen en vormen samen een uniek voorbeeld van renaissance-beeldhouwkunst.
In 1842 werd het gasthuis opgeheven en in de jaren daarna zijn veel gebouwen gesloopt. Dit monument werd gebruikt als wapen- en kledingmagazijn van het in Hoorn gelegerde garnizoen. Na de opheffing ervan in 1922, kwam hier de ‘stads boter- en eierhal’. De naam Boterhal is sindsdien blijven voortbestaan.