

In schriftelijke bronnen wordt deze dorpskerk in de heerlijkheid Leur voor het eerst genoemd aan het einde van de dertiende eeuw. Aan de kerk zoals die nu staat ging een romaans kerkje uit de twaalfde/dertiende eeuw vooraf. Het verving een oorspronkelijk houten kerkje. De kerk ligt verhoogd, op een motteheuvel en wordt omringd door een kerkhof en eikenbomen. De eenvoudige toren heeft een opvallende scheefgezakte torenspits. Die spits is het jongst en stamt uit de zestiende eeuw.
De kerk heeft een robuust torenportaal met koepelgewelf in onbepleisterd metselwerk. Dit portaal deed ooit dienst als dorpsgevangenis. Het lage schip is opgetrokken uit voornamelijk baksteen stamt uit dezelfde tijd. Het kerkschip heeft witgepleisterde muren met stemmige glas-in-loodramen en wordt overkoepeld door een houten tongewelf. Het daarachter liggende verhoogde gotische koor aan de oostkant dateert uit het begin van de zestiende eeuw. Het is gemetseld van baksteen en met speklagen van tufsteen bekleed. Het heeft een mooi netgewelf en stergewelf in de sluiting. De rondboogvensters aan de noordkant zijn nog oud. Aan de zuidkant van het kerkkoor is op de middeleeuwse fundamenten van een eerdere aanbouw; een sacristie of kapel, in 1752 een grafkamer opgetrokken.
Tijdens de Reformatie is de kerk rond 1600 overgegaan in Protestantse handen. De kerk werd sindsdien bediend door een hervormd predikant. De grafkamer is gebouwd bij gelegenheid van het overlijden van Gerrit Willem van Balveren. Hij was de eerste heer van dit geslacht in de heerlijkheid Leur.
In de kerk zijn de bijzondere muurschilderingen uit de eerste helft van de zestiende eeuw zeer het bekijken waard. Op het koorgewelf zie je behalve plantenmotieven een voorstelling van Maria met Kind en rechts van haar St. Bernardus. In het torenportaal staat nog een oude altaarsteen met wijdingskruisjes op het blad. In het koor staat een doopvont uit de vroeg dertiende eeuw. De preekstoel is uit de achttiende eeuw.
De kerk is eigendom van de Stichting Oude Geldersche Kerken.