
Het beukenbos bij Rolandseck, Doorwerth is een bijzonder en schaars groen erfgoed.
De beuken groeiden goed op leemhoudende grond van de stuwwal. Het leem hield vocht vast.
In het bos kun je de geschiedenis bijna lezen. Veel bomen hebben een grote ”voet”. Het zijn spaartelgen. Eeuwenlang was het beukenhakhout, een “moderne” vorm van bosbeheer. Om de 10 tot 25 jaar kapte men de takken van de stoof af. Deze waren net als bij een knotwilg tot een pruik uitgegroeid. Het afkappen gebeurde vaak op kniehoogte zodat de uitlopers niet bij begrazing door vee afgeknabbeld zouden worden. Een stoof kon wel 100 tot 200 jaar meegaan. Als de stoof niet regelmatig gekapt wordt, sterft de stoof af.
Het beukenhakhout leverde hout voor de houtskoolproductie, dat veel toegepast werd voordat de steenkool zijn intrede als brandstof deed. Ook diende het hout als geriefhout zoals stelen van gereedschap en bouwmateriaal. In tegenstelling tot eikenhakhout leverde het geen “eek” op. Dat is geklopte, gedroogde en gemalen eikenbast dat looizuur bevatte, wat nodig was voor de leerlooierij.
Veel beukenhakhout groeide door tot opgaand bos. Vaak werd één telg (spaartelg) gespaard. We noemen het een spaartelgenbos. Het terugvormen naar hakhout gaat niet omdat de beukenstoven niet meer uitlopen. Er ontstaan zo weer beukenbossen met een gesloten bladerdek. Door de lichtconcurrentie is er bijna geen ondergroei. Alleen op open plekken is wat ondergroei. De zwarte specht heeft baat bij beukenbossen voor hun nestholtes. De door spechten uitgehakte nesten worden later gebruikt door holenbroeders en vleermuizen.
De echte tonderzwam is een parasiet die het einde van de boom aankondigt.
Omdat de stoven erg oud kunnen worden zijn de bomen(spaartelgen) een bron voor autochtoon plantgoed.