landgoed Dickninge ligt aan riviertje De Reest, wat de grens is tussen provincie Drenthe en Overijssel.
Landgoed Dickninge is gesticht in 1811 door baron Vos van Steenwijk, op de ruïnes van het klooster wat op dit terrein stond. Dit klooster stond eerst in Ruinen ( rondom de Mariakerk) in 1325 werd het klooster van Ruinen verplaatst naar Dickninge. Hier verbleven de nonnen en monniken tot 1603, hierna hield het klooster op te bestaan. de grond kwam in eigendom van de provincie Drenthe. in 1811 liet Reint Hendrik baron de Vos van Steenwijk het huidige Dickninge bouwen.
Dickninge is nu opgedeeld in 4 woonappartementen. vandaar dat het terrein binnen de gracht privé terrein is.
HOOFDGEBOUW (Huis Dickninge). Laat-Empire huis met ingangspartij met zuilenportiek over twee bouwlagen, gebouwd in 1813 in opdracht van Reint Hendrik baron de Vos van Steenwijk (1755-1836) op het terrein van de voormalige abdij van Dickninge. Door zijn iets verhoogde ligging en de perspectiefwerking van de aanleg, maakt het huis een zeer monumentale indruk. De voorgevel ligt parallel aan het voorterrein, de achter- en zijgevels liggen in meer of mindere mate als souterrain ‘verzonken’ in het terrein. Twee bouwlagen tellend huis op rechthoekige plattegrond met driehoekige uitbouw aan achterzijde, opgetrokken uit rode baksteen op hardstenen plint en gedekt door een met blauwe Hollandse pannen belegd omlopend schilddak met vier hoekschoorstenen met borden in de dakschilden, kapellen met plat dak en openslaande negenruitsramen; rijk geprofileerde kroonlijst met guttae en verkropping ter hoogte van het driehoekige fronton. In het fronton zit een klein venster, oorspronkelijk een luik gebruikt om de vlaggenstok uit te hangen. Op het dak staat op twee houten staanders een klokkentorentje met spits en geschulpte dakrand. Aan de achterzijde tegen de rechterzijgevel serre uit omstreeks 1860 met trap. Alle gevels kennen een regelmatige invulling met vierruits souterrainvensters (behalve de voorgevel), zesruitsvensters op de begane grond en vierruitsvensters op de verdieping. Alle vensters en deuren zijn voorzien van anderhalfsteens hanenkammen. De voorgevel is symmetrisch ingedeeld met in het midden een zuilenportiek over twee bouwlagen met een eenvoudig driehoekig fronton met in het timpaan een klein (niet-oorspronkelijk) rechthoekig raam, gedragen door twee, wit geschilderde hardstenen zuilen met Ionisch voluutkapitelen op vierkante hardstenen basementen. In het portiek op de begane grond dubbele toegangsdeuren met kussenpanelen, glasruiten en bovenlicht; op de verdieping en vierruitsraam geflankeerd door twee smalle tweeruitsramen; aan weerszijden van het portiek een vensteras. Tegen de rechterzijgevel staat een vijfhoekige houten platgedekte serre uit omstreeks 1860 met gietijzeren kapiteeltjes, rijke gesneden gietijzeren zwikvullingen boven de ramen; dakgoot op fantasieklossen; boven de openslaande serredeuren een bescheiden fronton; het geheel rust op een gepleisterde bakstenen onderbouw met schijnvoegen en lichtgetoogde lichtopeningen met ijzeren tralies en is vanuit de tuin toegankelijk via een acht treden tellende hardstenen trap. De achtergevel is voorzien van een driehoekige uitbouw geflankeerd door een vensteras. In de linkerzijgevel is de ingang naar het souterrain bestaande uit een dubbele houten paneeldeur met bovenlicht, dat via een hardstenen trap te bereiken is.
In het INTERIEUR is ondermeer van belang de centrale vierkante hal met stucwerk met florale motieven en jacht- en vistaferelen en een spiegel gevat in een vergulde stuc omlijsting in Empirestijl.
Kelder met oude plavuizen.