


Voor het overzetten van personen over de rivier kennen we het Lexkesveer. Al sinds de middeleeuwen is dit de Wageningse verbinding met de Betuwe over het water. Minder bekend is wellicht het voormalige veer bij huize Wolfswaard, ook wel het Kleine Veer genoemd, ter onderscheiding van zijn grote evenknie. Arbeiders uit de Betuwe konden zo over en weer naar de Wageningse steenfabrieken pendelen. De Wolfswaard fungeerde in de hoogtijdagen van de steenfabricage (zo eind 19e, begin 20ste eeuw) als veerhuis annex café. Maar ook daarvoor is er al sprake van een veerhuis. Op de kadastrale kaart uit 1832 wordt huize De Wolfswaard al als het Kleine Veer vermeld. Het pand heeft dezelfde plattegrond, met een breed voorhuis en een smaller achterhuis (de deel of het bedrijfsgedeelte), een zogeheten T-boerderij.
Deze boerderij annex veerhuis is begin 19e eeuw in handen van Johan Maurits Baron Van Pabst tot Bingerden, die naast dit perceel ook een hele strook smalle percelen ten oosten van de Veerdam – vanaf de Rijn tot bijna aan de Grebbedijk – in bezit heeft. De naam Pabstsendam is van dit adellijke geslacht afgeleid. Het veerhuis, de veerdam en bijbehorende percelen zijn onderdeel geweest van de heerlijkheid Wolfswaard, een kleine juridisch bestuurlijke plattelandseenheid. Het gezag over dit stuk land was in handen van de heer (of vazal) die een leenovereenkomst had met de vorst (of bisschop). Dit verklaart ook waarom er iets ten noorden van het veerhuis een kasteeltje met de naam Wolfswaard lag. De heerlijkheid werd overigens doorsneden door de Rijn. Het grootste gedeelte hiervan lag in de Betuwe. Oorspronkelijk betrof het een aangesloten gebied, maar met de verlegging van de Rijn zuidwaarts, omstreeks de 15e eeuw, kwam de heerlijkheid dus deels aan Wageningse zijde te liggen. Het kasteeltje is rond 1800 afgebroken, evenals het oorspronkelijke veerhuis. Huize Wolfswaard blijft hiermee een tastbare en kostbare herinnering aan een gedeeld ver verleden met de Betuwe.