
Midden in de bebouwde kom, tussen de statige hoge herenhuizen aan de Generaal Foulkesweg en de wat eenvoudigere bebouwing aan de Veerstraat, ligt een onverwacht open en wat verzonken plek. Een oase van rust en vredigheid. Hier liggen de graven van Joodse burgers van weleer. Niet alleen Wageningse inwoners van Joodse origine, maar ook Joden uit Veenendaal en Rhenen hebben hier al eeuwen geleden hun laatste rustplaats gevonden. De graven liggen dwars op een langgerekt en licht hellend perceel, afgesloten met een sober smeedijzeren hekwerk met toegangspoort.
In 1667 vraagt Isaac Adolphs de Jode, sinds 1634 woonachtig in de Nieuwstraat, aan het stadsbestuur om een begraafplaats te mogen oprichten voor zijn familie en geloofsgenoten. De stad herbergt in de 17e eeuw enkele Joodse gezinnen. Adolphs krijgt hiertoe een stuk zandafgraving in pacht toegewezen aan de voet van de Wageningse Berg, ‘op een eerlijcke plaets aan den sandtcuil’. In die tijd is er nog maar mondjesmaat bebouwing buiten de stadsgracht, dus het is aanvankelijk op die locatie ook echt sereen en stil. Aan de Nieuwstraat, waar in die tijd meer Joodse gezinnen wonen, runt Isaac Adophs sinds 1667 ook de Bank van Lening, wat de weg al snel de naam Jode- of Jeudestraat oplevert. Een benaming die eeuwenlang zal standhouden.
Naast het gezin van Adolphs vindt menig Joods inwoner op de Joodse helling of ‘hucht’ de eeuwige rustplek. Opvallend is dat er op de begraafplaats vooral graven vanaf 1812 te vinden zijn. Omdat Joodse graven volgens de traditie niet geruimd mogen worden is men vanaf een bepaald moment de dodenakker gaan ophogen. Bovenop de oude graven – de grafstenen zijn toen eerst platgelegd – is zo een nieuw veld ontstaan. Feitelijk dus een extra verdieping, waar opnieuw begraven kon worden. In 1925 vindt de laatste begrafenis er plaats. Vanaf 1913 is bij de nieuwe Algemene Begraafplaats aan de Oude Diedenweg een Joods gedeelte ingericht. Reden om de oude Joodse locatie per 1929 voorgoed te sluiten.