
In de herfst van 1944 begonnen de Duitsers met de productie van eenpersoons betonnen bunkers, bekend als Kochbunkers. Over de herkomst van de naam bestaan verschillende theorieën. Sommigen denken dat deze verwijst naar de Oost-Pruisische nazi Erich Koch, terwijl anderen vermoeden dat de naam is afgeleid van het Duitse woord Kochtopf (kookpan), vanwege de vorm.
Aan het westelijke front werden meer dan 5000 van deze bunkers geplaatst. Ze waren 1,60 meter hoog en hadden wanden van 10 centimeter dik. De onderdelen werden in fabrieken geproduceerd en op locatie in elkaar gezet. In Doetinchem gebeurde dit bij de firma Tiecken aan de Wijnbergseweg. De daar geproduceerde exemplaren kregen aan de binnenzijde een grote “T” als kenmerk.
Er waren verschillende modellen van de Kochbunker. Sommige hadden een gesloten paddenstoelachtige deksel, terwijl andere waren uitgerust met openingen voor communicatie, een periscoop, opslag van munitie, een machinegeweer of een Granaatwerper. Daarnaast konden meerdere bunkers met elkaar worden verbonden.
Rond Doetinchem werden de ruim zeventig kilometer lange loopgraven uitgerust met tientallen Kochbunkers. Deze werden strategisch geplaatst op cruciale locaties om de verdedigingslinie te versterken.