
De WIC werd opgericht in 1621 en georganiseerd naar het model van de VOC. Eén van de vijf kamers werd toegewezen aan Hoorn. Een jaar na verovering van de Spaanse zilvervloot (1628), kocht de WIC een aantal naast elkaar gelegen erven bij het voormalig Gelders Bolwerk aan de Binnenluiendijk ten behoeve van pakhuizen. De vergaderingen vonden aanvankelijk plaats in de oude Oosterpoort en later aan de Ramen 1-3. In 1689 kocht de WIC twee bestaande huizen achter deze gevel met bijbehorende achterhuizen aan de Karperkuil.
Schuin vanaf het wandelpad is te zien dat het voorste schilddak van dit rijksmonument na enkele meters overgaat in de dwarskapconstructie van de twee oorspronkelijke panden. Deze zijn gebouwd kort na 1622 toen de percelen op de Binnenluiendijk werden verkocht voor bebouwing. Uit deze tijd herinneren nog de bewaard gebleven vloerconstructie in de huidige tempelruimte en de geprofileerde sleutelstukken. De twee oorspronkelijke trapgevels maakten in 1784 plaats voor één brede gevel in Lodewijk XVI-stijl met een dubbele bordestrap.
De voorgevel wordt geleed door hoekpilasters en een middenrisaliet bekroond door een driehoekig fronton met in het medaillon een monogram en floraal snijwerk. Het medaillon omvat de letters H GWC. Deze staan voor de Hoornse kamer van de Geoctrooieerde West-Indische Compagnie die hier kantoor hield. Boven de dubbele voordeur bevindt zich een sierlijk snijraam. Aan weerszijden van het middenvenster een afhangend festoen in draperievorm. In het interieur is onder meer de vestibule uit 1784 bewaard gebleven waarin een witmarmeren vloer en verfijnd stucwerk met het stadswapen, de zon en symbolen van handel en scheepvaart.
Nadat de slavenhandel was vrijgegeven fungeerde de WIC slechts nog als bestuursapparaat. De inkomsten liepen terug en in 1792 viel het doek. De ‘Vaderlandsche Maatschappij’ vestigde zich in het pand. Deze maatschappij probeerde de vervallen economie van Hoorn nieuw leven in te blazen door uiteenlopende activiteiten zoals kousenfabricage, walvisvaart, een vloerkledenfabriek, houthandel en een ‘Konst-, Schilder- en Behangselfabriek’. Daarna werd het monument gebruikt als militair hospitaal en als opvang voor besmettelijke ziekten zoals cholera.