


Ontdek meer op www.hetVerhaalvanRenkum.nl
Bedreigd erfgoed? Zeer zeker!
Het opus magnus van Prof.ir. J.M. Granpré Molière wordt 60 jaar na de ingebruikname verlaten: te groot, achterstallig onderhoud, voldoet niet aan arbo-eisen en is vooral te duur voor de gemeente. Daarmee gaat het een ongewisse toekomst tegemoet. Voorlopig wordt het gebruikt als ‘broedplaats’ voor allerlei creatieve activiteiten, tot een marktpartij daadwerkelijk het gebouw opnieuw gaat bestemmen. Daarbij zal ook nadrukkelijk naar de omgeving van het gebouw gekeken worden. En dat betekent ongetwijfeld dat het gebouw veranderingen zal ondergaan. Opvallend is dat het gebouw leidt tot uitgesproken oordelen: van foeilelijk en weg ermee tot volstrekt uniek en daarom het behouden meer dan waard.
Feit is dat belangstellenden, die het verhaal achter het gebouw beter leren kennen vaak aanzienlijk positiever oordelen over deze mastodont van de wederopbouw!
Sommige lokale politici pleiten voor sloop en ruimte voor nieuwbouw, andere sluiten sloop van de beide vleugels niet uit. Niet-politici hebben een poging gedaan om er een rijksmonument van te maken.
Het gebouw is uniek omdat het gezien kan worden als sluitstuk van de Wederopbouwperiode in Renkum, maar vooral ook omdat de ontwerper een complete opdracht had van gebouwomgeving tot lamp en asbak.
Wat maakt dit gebouw, dat zeker de tongen losmaakt, zo bijzonder?
Allereerst de architect: Na een architectenselectie kwam men in 1953 uit bij de belangrijkste theoreticus van de zogeheten Delftse School, de inmiddels 70-jarige Granpré Molière. Hij verzette zich tegen het predicaat “traditionalist”, maar was duidelijk de tegenpool van de modernisten. Ambachtelijkheid stond bij hem voorop en ook in zijn denken over hoe bevolking en bestuurders met elkaar om moesten gaan stonden traditionele waarden voorop. En dat is terug te zien. Niet alleen in het gebouw, maar ook hoe het benaderd wordt.
De architectuurstijl: Waar het eerste ontwerp aan de Utrechtseweg tegenover het Airbornemuseum een zeer rijk gedetailleerd paleis met volop verwijzingen naar zowel Toscaanse stadspaleizen en Hollandse klokgevels bevatte is het gerealiseerde ontwerp een stuk soberder geworden. Weliswaar met een veelheid aan Italiaanse facetten, als de ‘piano nobile’, de campanile, de zeer licht hellende daken en de doorgetrokken topgevels, maar toch fors versoberd met veel vlakkere gevels. Het lijken verwijzingen te zijn naar de inmiddels aan invloed winnende Bossche School. De invloed misschien van de Oosterbeekse architect Hylje Ahrens?
Het ‘Gesamkunstwerk’: De architect was een dusdanige autoriteit op zijn vakgebied dat hij nagenoeg de vrije hand kreeg in het ontwerpproces: het betekende dat hij niet alleen voor het gebouw tekende, maar ook voor een groot deel van het meubilair, de verlichtingsarmaturen, wandafwerkingen en zelfs asbakken ontsnapte niet aan zijn aandacht.
Sluitstuk van de wederopbouw: Het bouwproces dat 13 jaar duurde betekende dat in 1966, toen het eindelijk geopend werd, het daarmee het slotakkoord werd van herrijzend Nederland, op weg naar 20 miljoen inwoners, waarvan er een goede 66.000 in de gemeente Renkum zouden wonen. Dat verklaart ook de omvang van dit gemeentehuis.
De gemeente laat dit markante gebouw definitief achter zich. Het moet wel behouden blijven. Een uitdaging voor marktpartijen. Wat wordt de toekomst? Woningen, museum, bibliotheek worden genoemd. Maar het middelste deel is bestemd voor maatschappelijke functies, als kloppend hart voor het centrum van Oosterbeek.