Oostelijk langs de weg van Vierlingsbeek naar Maashees ziet u een waterrad. Op de plaats van dit waterrad heeft al eeuwen een onderslag watermolen gestaan. Reeds in 1466 wordt er melding gemaakt van een watermolen. In 1531 wordt er een nieuwe molen gemaakt met een rieten dak. Opdrachtgever van de molen is Floris van Egmond, Graaf van Buren en pandheer van Het Land van Cuijk. In het Rijksarchief te Brussel is het volledige bestek bewaard gebleven. Zo blijkt dat er 44 eikenbomen gebruikt zijn voor de bouw. Het harde hout van de witte acacia’s (Robinia pseudo-acacia) langs de beek werd vroeger gebruikt om er onderdelen voor de molen (zoals assen) van te maken. Tussen de Grotestraat en de monding bij de Maas heeft de beek, in tegenstelling tot de overzijde, zijn oorspronkelijke, kronkelige loop mogen behouden. Er is een vistrap aanwezig om de vissen in staat te stellen de bovenloop te bereiken.