
Met steeds vaker droogteperiodes, hoge temperaturen en lage rivierstanden in de zomer, ervaren we aan den lijve hoe belangrijk een goede watervoorziening is. We worden inmiddels aangespoord korter te douchen en spaarzaam te zijn met het gebruik van drinkwater voor het besproeien van de tuin. Maar we vinden het nog steeds de normaalste zaak van de wereld dat er fris en schoon water uit de kraan stroomt. Maar hoe gewoon is en blijft dat?
De geschiedenis van de watertoren start eigenlijk al meer dan een eeuw geleden, met zijn voorganger Belvedère van architect Roelof Kuipers. Deze eerste Wageningse watertoren (1898) is naast functioneel ook een ware toeristische trekpleister. Het adembenemende uitzicht vanaf het hoogste punt van de Wageningse Berg brengt ook nu nog steeds veel mensen in beweging. Maar de belangrijkste functie van de Belvedère is uiteraard die van waterreservoir op een zo hoog mogelijk punt in de stad. Die ligging zorgt voor voldoende druk om het water naar beneden in de waterleidingen te laten stromen. In oorlogstijd is het echter een nadeel om zo hoog boven alles uit te torenen. Kerken en watertorens zijn perfecte uitkijkpunten en dus een belangrijk doelwit voor de vijand om te vernietigen. Helaas raakt ook de toren van Kuipers aan het eind van de Tweede Wereldoorlog dusdanig beschadigd dat herbouw geen optie meer is.
Op dezelfde locatie komt uiteindelijk in 1948 een waardige waterrijke opvolger gereed. Deze is met zijn dertig meter hoogte zelfs tien meter hoger dan de eerdere Belvedère. Mede dankzij het koperen tentdak is het een opvallende maar ook sobere verschijning. De Delftse Schoolstijl waarin het gebouw is ontworpen door Renkums architect Theodoor K.J. Koch, draagt daar zeker aan bij. Deze inderdaad in Delft geschoolde ingenieur maakt gebruik van het traditionele baksteen om de gevels mee te bekleden. In feite onttrekt hij hiermee de moderne betonnen constructie die eronder zit, aan het zicht.