Waar nu het Wilhelminapark ligt, was de lucht rond de eeuwwisseling onwelriekend en ongezond. Een groep prominente Meppelers kwam rond 1905 met het initiatief de grond tussen de Reest en de Stationsweg vanaf de Werkhorstbrug tot het spoor op te hogen en geschikt te maken voor een luxe park waar gewoond en gewandeld kon worden. In vele steden verrezen destijds villaparken in de omgeving van het station. De plannen kregen steun van de bevolking en de raad. In 1907 kwam het Burgerweeshuis met een lening tegen gunstige voorwaarden. Werkgroepvoorzitter, aannemer/architect Marten Otten, legde met zijn ontwerp het fundament onder wat later het Wilhelminapark zou worden.
Tuinarchitect Leonard Springer (1855-1940) uit Haarlem kreeg de opdracht om – met als uitgangspunt het ontwerp van Marten Otten – te komen met een uitgebalanceerd ontwerp. Hij had een park voor ogen met lange en korte zichtlijnen, verrassende doorkijkjes, vloeiende paden met pleintjes, waarin geen boom of struik een toevallige plek had. In 1908 kwam hij met zijn eerste schets, met als basis Ottens ontwerp. Na de eerste wereldoorlog werd de aanleg van het park voortvarend aangepakt, waarna op 8 juni 1919 het wandelpark voor het publiek werd opengesteld.
Aan het Wilhelminapark tegenover de Parklaan vinden we het Harm Smeengemonument. Mr. Harm Smeenge (1852-1935) was wat je noemt een Drent die alles deed voor ‘zijn’ Drenthe. In Meppel was hij griffier bij het kantongerecht, leraar aan de Rijks H.B.S., raadslid, afgevaardigde van kiesdistrict Meppel in de Tweede Kamer en was door de Provincie gekozen als Eerste Kamerlid. Dit monument stamt uit 1938. Architect is Samuel de Clerq uit Amsterdam. De beeldhouwer is Frits van Hall uit Sloterdijk. Op de zuil is een bronzen plaquette aangebracht met de beeltenis van Harm Smeenge. Op de grindvloer lees je de woorden Uitnemend Drenth; Ontwikkeling; Vaderlandsliefde en Vooruitgang. Vooruitgang en ontwikkeling waren nodig om het Drenthe van toen uit zijn onbeschrijfelijke armoede te tillen. Dit waren de motieven van Harm Smeenge. De vier bloemvazen symboliseren de domeinen waarop hij zich inspande. Met hoofdletters: Landbouw, Scheepvaart, Onderwijs en Ontginning. De namen van de 34 Drentse gemeenten van voor de herindeling van 1998 staan rondom op de keien in de muur gemetseld. De ringmuur verbeeldt Drenthe’s eenheid.
Bij de verkoop van de kavels werden niet alle percelen verkocht en mocht de Utrechtse rozenvereniging Nos Jungunt Rosae (Ons verenigen de rozen) een rosarium aanleggen, vermoedelijk ook naar Springers ontwerp. De rozenhof was een onderdeel van de Landbouw-, Tuinbouw- en Nijverheidstentoonstelling in 1929. Vooral door de inspanningen van Harm Smeenge vond deze in Meppel plaats. Nos Jungunt Rosae onderhield tien jaar lang de rijke collectie. Daarna nam de gemeente het stokje over. Gedwongen door financiële krapte leidde dit al snel tot minder rooskleurigheid.
In de rozenhof werd in 1949 een monument opgericht ter nagedachtenis aan de Meppelers die hun verzet met de dood moesten bekopen. Hun namen zijn op de ronde lage wand achter het beeld vereeuwigd. Titus Leeser uit Ommen maakte de bronzen mannenfiguur met een kind (de toekomst) in zijn rechterhand, terwijl hij met zijn linkerhand een slang in bedwang houdt als symbool van de strijd tegen het kwaad. In de strook tussen het rosarium en het wandelpad heeft rondom de bevrijding van Meppel een korte tijd een aantal omgekomen Duitsers (en één Poolse) begraven gelegen. Onder hen waren de slachtoffers van het geallieerde bombardement op het station op 8 april 1945. Later zijn de lichamen verplaatst naar de Algemene Begraafplaats op de Zomerdijk en van daaruit elders begraven.
Sinds 2010, vijfenzestig jaar na de bevrijding, staat in het rosarium ook het ‘Canadees monument’. Het is een staande plaquette met een Nederlandse en een Engelse tekst. Daarboven is het embleem van het Toronto Scottish Regiment te zien, de bevrijders van Meppel. Links ervan is een tulp te midden van esdoornbladeren, rechts drie esdoornbladeren. Onder de tekstplaquette zijn geëtste tulpen te zien die lijken op te komen uit de esdoornbladeren op het voetstuk.