
In 1829 werd het begraven in de kerk (voor de rijken) en rond de kerk (voor de minder gegoeden) verboden. Plaatsen met meer dan duizend inwoners moesten buiten de bebouwde kom een begraafplaats aanleggen. Zo ontstond op een afgegraven bastion van de al niet meer in gebruik zijnde vestingwerken de algemene begraafplaats.
Het poortgebouw heeft een neoklassiek uiterlijk: vier halve zuilen eindigend in Dorische kapitelen en daarboven een architraaf waarop een fries met trigliefen (drie verticale strepen). Onder het dak bevindt zich een horizontale kroonlijst. Aanvankelijk werden de overledenen in dit poortgebouw opgebaard, later was er sprake van een koeling elders. Nu is het monumentale poortgebouw opslagplaats voor de plantsoenendienst.
De begraafplaats is in noordwestelijke richting steeds uitgebreid en nog in gebruik. Het poortgebouw en de cirkel oude graven erachter hebben de status rijksmonument. Ook de imposante rode beuk was een rijksmonument. Hij stond aan de oostkant van de cirkel, maar doorstond de tand des tijds niet. De stam echter werd een kunstwerk: drie rouwende mensen houden elkaar vast in hun verdriet.