Foto: Arnold Bartman
Nieuws
Bouwen wordt ombouwen
Column Tracy Metz, voorgelezen op de opening van Open Monumentendag 2011
Ik doe doorlopend aan hergebruik. Ik woon in een voormalige paardenstal. Ik werk op een voormalig industrieterrein. Ik sport in een voormalige autoshowroom. Ik doe boodschappen in een voormalig bankgebouw. Ik ga naar naar lezingen in een voormalige krantendrukkerij, naar concerten in een voormalige kerk of een voormalig beursgebouw. Ik rij op een tiende-hands fiets.
Je zou zelfs kunnen zeggen dat ik mezelf heb herbestemd, van een voormalige Amerikaanse in een hedendaagse Nederlandse. Prima thema dus van de Open Monumentendag: nieuw gebruik, oud gebouw. Mij uit het hart gegrepen.
Hergebruik is natuurlijk op zichzelf niet nieuw. Het is een volkomen geaccepteerd, zeg maar ingeburgerd fenomeen. Het hoort bij een land met eeuwen aan gebouwd geschiedenis, dat je met de erfenis van je voorgangers leeft en die ook gebruikt – meestal op een andere manier dan zij dat deden. Monumenten zijn ankers voor ons gevoel over een stad, of een land – ze doen je beseffen dat je deel uitmaakt van iets wat groter is dan alleen jezelf.
Die behoefte wordt in onze tijd ook steeds sterker. In hun inspirerende boek dat vandaag is verschenen, ‘Herbestemming in Nederland; Nieuw gebruik van stad en land’ brengen Marinke Steenhuis en Paul Meurs dat mooi onder woorden. "In een samenleving waarin authenticiteit het nieuwe massaproduct is,” schrijven zij, "groeit de vraag naar plekken en gebouwen met karakter en geschiedenis.”
Tegelijkertijd is hergebruik heel actueel. Want de leegstand die aan herbestemming vooraf gaat, neemt schrikbarende vormen aan. De kerken alleen al. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed berekende dat er al ruim 1300 kerken hun functie hebben verloren - en er komen nog eens ruim 1800 aan. Dat betekent gemiddeld twee kerken per week die ‘op de markt’ komen. Wat gaan we ermee doen, nu de tapijthallen naar de stadsrand zijn verhuisd en de moskeeën zelf zijn gaan bouwen?
Het aanbod aan te hergebruiken gebouwen wordt dus steeds groter en het zijn ook veel relatief jonge gebouwen. Er staat 7 miljard vierkante meter aan kantoren weg te kwijnen in Nederland; van alle winkels is ruim zes procent te huur of te koop.
Sterker nog, er staan niet alleen gebouwen leeg, maar ook hele gebieden. Elke gemeente heeft wel een verouderd bedrijventerrein. Schepen wordt steeds groter en verlaten de oude havens. Defensie trekt zich terug uit kazernes en schietterreinen.
Eigenlijk is het niet te bevatten dat er zo veel ruimte over kan zijn in het dichtstbevolkte land van Europa.
En het eind is nog niet in zicht. De echte bulk aan leegstand gaat pas komen op het moment dat de eigenaren worden gedwongen hun bezit af te waarderen. Dat optimisme-tegen-beter-weten-in over de volkomen fictieve boekwaarde van het bezit staat nu een echt herbestemmingsoffensief in de weg. Kennelijk moet het altijd eerst erger worden voordat het beter wordt.
Maar de reality check komt nog. De leegstand legt de bijl aan de wortel van het hele systeem waarmee we de afgelopen vijftig, zestig jaar omze omgeving hebben gebouwd. Met onze fixatie op nieuw nieuw nieuw, op snel en goedkoop bouwen, en met gemeenten die veel verdienen met de verkoop van maagdelijk grond aan de stadsrand in plaats van de gebouwen die ze al hebben in de roulatie te houden.
Een kind kan de was doen: er wordt door de crisis nauwelijks nieuw gebouwd en er staat steeds meer leeg. We moeten het dus doen met wat we hebben. "De bouwopgave”, schrijven Steenhuis en Meurs, "is veranderd in een ombouwopgave.”
Er gebeurt wel al een en ander op dit gebied. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft tegenwoordig een Nationaal Programma Herbestemming die begin november een eerste biënnale organiseert. Fons Asselbergs heeft als rijsadviseur voor het cultureel erfgoed de leegstand op de agenda gezet met zijn Atlas. Als Rijksbouwmeester heeft Liesbeth van der Pol een zaak gemaakt van ‘Prachtig Compact NL’, en nu het is ook de bedoeling van het rijk om 60 procent van de nieuwbouw in de bestaande stad te doen. Als er tenminste ooit weer nieuwbouw zal zijn. Daarbij hoort aandacht voor de gebouwen die er al staan.
Maar er is niet echt iemand die erover gaat, die de druk erop houdt en erachter aan gaat – die er kortom verantwoordelijk voor is. Ik kan maar één figuur verzinnen die dichtbij én veraf genoeg staat: de Rijksbouwmeester. Van der Pol heeft de bal neergelegd, Van Dongen moet ‘m erin koppen. Het moet een reflex worden: eerst de gebouwen gebruiken die we al hebben, pas daarna desnoods nieuw bouwen.
In een deze week verschenen boek van Search BV, ‘Duurzaam herbestemmen kán’, doet zakenvrouw Anne-Marie Rakhorst daarvoor een aantal concrete suggesties. Verplicht gemeenten om eerst met de bestaande voorraad aan de slag te gaan. Hef een belasting op nieuwe bouwgrond en stop het geld in een transformatiefonds. Maak het investeren in herbestemmen fiscaal aantrekkelijker.
En Monumentenzorg dan? Herbestemming is een speerpunt van het nationale monumentenbeleid voor de komende jaren. Dat is mooi, nu nog daarnaar handelen. Monumentenzorg moet in mijn optiek vooral naar de geest van de wet kijken, meer dan naar de letter.
Te vaak nog wordt de zorg voor monumenten in het juridische getrokken. Als een gebouw een monument is wordt alles tot de laatste nagel beschermd. Toch moet je soms durven kiezen, en moet je erkennen dat je iets moet offeren om iets te winnen.
Het eigen gebouw van Monumentenzorg hier in Amsterdam, De Bazel, is een mooi voorbeeld. Tot en met de minister is het aanbrengen van de grote ramen aan de Vijzelstraat uitgevochten.Ja, het was een gesloten bastion, maar nu is het een publieksgebouw en het publiek moet uitgenodigd worden.
Mensen over de vloer, het opgenomen worden in het leven van de stad – dát is pas het veiligstellen van een monument. Monumentenzorg, kortom, moet geen hindermacht zijn, maar een vanzelfsprekend onderdeel van de culturele dynamiek.
We staan hier nu wel heilig te doen over herbestemming, maar laten we eerlijk zijn: die wordt ons ook gewoon opgedrongen. Door de crisis, door demografische krimp, door de digitale revolutie die ons hele werkgedrag heeft veranderd. Maar het is meer dan dat. Herbestemming past bij de trend naar meer zorg voor onze omgeving en de belangstelling voor vakmanschap.
Volgens modeontwerper Alexander van Slobbe is dát de nieuwe luxe – niet dure massageproduceerde statusproducten, maar dat ene voorwerp waar iemand tijd, zorg en aandacht aan heeft besteed. Dat, zegt hij, is waarde.
Het is wrang om te zeggen, maar dankzij de crisis heeft herbestemming de wind in de rug. Het is in feite een aanklacht tegen de weggooicultuur van snel en goedkoop bouwen. We zijn gewend aan groei, verslaafd aan the newest new thing. Zoals Vincent van Rossum zaterdag in Het Parool schreef: elke volle container bouwafval is eigenlijk een schande. Tenzij, voeg ik daaraan toe, de container voor een pand staat dat voor een tweede leven geschikt wordt gemaakt.
De bouwwereld moet beseffen dat dit dé nieuwe groeimarkt is. Gemeenten moeten beseffen dat ze uiteindelijk in eigen vlees snijden als ze steeds maar nieuwe bouwgrond uitgeven – lees: verkopen. Architecten, opdrachtgevers, ontwikkelaars, aannemers: geen wegwerpgebouwen meer! Zoals het oud-Hollands spreekwoord zegt: goedkoop is duurkoop.
(U ziet, ik ben al helemaal ingeburgerd).
Nee, áls we weer gaan bouwen – ooit – dan moeten dat gebouwen zijn die het waard zijn om over 50, 100, 200 jaar herbestemd te worden. Dat is de lakmoesproef. Straf het goedkope en het liefdeloze, beloon het zorgvuldige en het genereuze. Want pas als wij herbestemmingsproof bouwen zullen de generaties na ons hun erfenis met liefde gebruiken. Dát is waardecreatie, dát zijn de monumenten van de toekomst. Als we het slim aanpakken is de huiveringswekkende leegstand van nu niet het begin van het einde, maar het begin van een nieuwe begin.
Westergasfabriek, 8 sept. 2011
Tracy Metz









