

Honderden jaren hebben studenten in de Oude Universiteitsbibliotheek neuzend in oude boeken hun wetenschappelijke kennis verrijkt. De veerkracht van dit monument blijkt uit de vele functionele wijzigingen en de sociale start die het kende. In de 15e eeuw bevond zich hier het ‘Faliede Begijnhof’: een afgesloten hof met rondom huisjes en een kapel, waar begijnen woonden (vrouwelijke religieuzen die geen geloften aflegden). Het hof werd vernoemd naar de geplooide zwarte mantel of omslagdoek die ze droegen: de falie(de). Na de Reformatie werd de stad Leiden eigenaar van het complex en wees het toe aan de net opgerichte universiteit. De woonhuisjes werden opgeknapt en verhuurd aan universitaire ‘lidmaten’. In 1591 werd de centraal gelegen kapel omgevormd tot universiteitsbibliotheek. Op de eerste verdieping van de kapel kwam een anatomisch theater, dat recent is nagebouwd in Rijksmuseum Boerhaave. In de 19e eeuw verdween het theater, evenals de toren van de kapel. De kapel kwam na een forse verbouwing volledig in gebruik als bibliotheek. Het voorgebouw maakte rond 1910 plaats voor het huidige, veel grotere hoofdgebouw van de hand van rijksbouwmeester J.A.W. Vrijman. In 1983 verhuisde de universiteitsbibliotheek naar de Witte Singel en betrokken het College van Bestuur van de universiteit en verschillende centrale diensten het complex. / MB